De Coöperatieve Zuivelfabriek

Zuivelproductie heeft van oudsher een belangrijke rol gespeeld in Friesland. Al in 1427 werd in Sneek boter verkocht aan “vreemde luyden van oversee”, en tot het einde van de 19e eeuw werd boter en kaas nog op de boerderij gemaakt. De boerin begon ’s ochtends rond vier uur in de molkenkelder, waar melk in platte koperen bakken werd gezet. De room werd afgeschept en in een roomvat gegoten om te zuren. Door roeren en schudden ontstond boter, terwijl van de overgebleven melk kaas werd gemaakt met behulp van stremsel.

De industrialisatie van de zuivel begon in de 19e eeuw, mede door de opkomst van de centrifuge, waarmee room sneller van melk kon worden gescheiden. Dit leidde tot de oprichting van particuliere zuivelfabrieken, en kort daarna ook coöperatieve fabrieken, waarin boeren gezamenlijk investeerden en een directeur aanstelden. In 1886 werd de eerste coöperatieve zuivelfabriek in Wergea opgericht; twee jaar later volgde Irnsum met een eigen fabriek.

De oprichting

In 1888 richtten zes boeren uit de gemeenten Rauwerderhem, Idaarderadeel en Utingeradeel de Coöperatieve Kaas- en Roomboterfabriek in Jirnsum op. Het betrof:

  • Rinze Sijnes van der Goot (Jirnsum)
  • Gerben Sijnes van der Goot (Akkrum)
  • Klaas Feites de Haan (Ludringa, Grou)
  • Dirk Herres Hooghiemstra (Grou)
  • Bonne Hijlkes Hijlkema (Akkrum)
  • Hijlke Bonnes Hijlkema (Nes)

Samen met mej. A. B. de Boer en architect J. R. Nijdam brachten zij 76 aandelen à ƒ 250 bijeen. Daarnaast werd een lening van ƒ 6.500 afgesloten om het totaal van ƒ 25.000 voor gebouw en machinerieën te financieren. Op 2 augustus 1888 werd de eerste steen gelegd. De fabriek lag gunstig aan de Boarn, waardoor melk en zuivelproducten eenvoudig per boot konden worden vervoerd.

Hijlke Bonnes Hijlkema (1858-1935), directeur van de fabriek, had ervaring opgedaan in Denemarken, waar hij samen met een Deense boterinstructeur langs Friese boerderijen trok om nieuwe technieken te demonstreren. Hij werd later zuivelconsulent in Gelderland en auteur van het gezaghebbende Leerboek der Zuivelbereiding, dat decennialang als standaard diende voor studenten.

Groei en bloei

Dankzij de fabriek nam de bedrijvigheid in Jirnsum aanzienlijk toe. Melk werd aangevoerd met karren, wagens en per boot, terwijl de producten via land- en waterwegen naar afnemers gingen. Rond 1900 waren er in Friesland zo’n 150 zuivelfabrieken, waarvan de helft coöperatief was.

A historical table comparing weekly wages for workers in different locations in 1902 and 1909, including percentage increases.

Uit: Vereenigt u… 14-05-1910. Een mooie loonsverhoging voor de zuivelarbeiders!
Hiervoor werd gemiddeld 10 uur per dag gewerkt.

Links de zuivelfabriek, rond 1910

De fabriek in jirnsum had aanvankelijk melk van veel boeren uit de wijde omgeving, maar toen Reduzum (1890), Grou (1896) en Akkrum (1897) eigen fabrieken kregen, bleef het aantal leden afnemen. Toch groeide het aantal koeien weer: van 731 in 1897 naar 950 in 1900.

In 1913 vierde de fabriek haar 25-jarig bestaan. Het feest, georganiseerd onder leiding van bestuursvoorzitter Doeke Pasma, viel samen met een bezoek van Koningin Wilhelmina aan Dearsum. Het dorpsleven bloeide; medewerkers en bestuursleden speelden een actieve rol in culturele verenigingen zoals de ‘rederijkers’.

De werknemers van de zuivelfabriek bij het 25-jarig jubileum in 1913.

Moeilijke jaren en sluiting

De fabriek kende vijf directeuren in haar 50-jarige bestaan: Hijlke Hijlkema, Fennema, Sieben Haisma, S. Nijholt en Kuiper, gevolgd door Eeltje Banning (1883-1957). Banning verhuisde in 1914/15 met zijn gezin naar Jirnsum en speelde een belangrijke rol in het dorpsleven.

In 1916 werd in de Leeuwarder Courant een ‘flinke DIENSTBODE’ gevraagd.

De economische crisis en interne problemen leidden uiteindelijk tot de opheffing van de fabriek. In 1938, na meerdere vergaderingen en pogingen tot concentratie met de fabriek van Sibrandabuorren, stemden 99 leden voor en 15 tegen de sluiting. Een deel van het personeel werd overgeplaatst, de rest ging met vervroegd pensioen.

In de Tweede Wereldoorlog verbleven er vluchtelingen uit Limburg: “De fabriekshal werd hun gezamenlijke eet‑ en recreatieruimte, met planken op kisten als tafels en banken. Via een ijzeren trap bereikten ze de slaapzolders, waar stro hun enige bed was. De ruimte was krap en primitief, maar dankzij de bereidwilligheid van de bedrijfsleider, de heer Van Balen, verbeterden de omstandigheden langzaam.

Het fabrieksgebouw bleef nog enige tijd in gebruik door onder andere Douwe Egberts voor opslag en surrogaattheeproductie. Na de afbraak van de katholieke kerk in 1965 werd de zuivelfabriek tijdelijk gebruikt voor kerkdiensten. Nog weer later werd het pand door een handelaar in piano’s gebruikt.

De directeurswoning (nu Rijksweg 59) met rechts de zuivelafbriek.

Het eind van een tijdperk

De zuivelfabriek wordt gesloopt.

Begin jaren ’80 werd het fabriekscomplex afgebroken en maakte plaats voor nieuwe woningen aan De Boarn. De eerste steen, met de namen van de oprichters, kreeg een plekje bij het kleine haventje tussen de nieuwe huizen. Daarmee verdween een belangrijk hoofdstuk uit de Friese zuivelgeschiedenis.