Voornaam:

Douwe

Achternaam:

Laverman

Geboortedatum:

18-04-1868

Overlijdensdatum:

30-05-1942

Douwe Laverman werd geboren op 18 april 1868 in Jirnsum. Hij was het enige kind van Jakob Douwes Laverman en Antje Johannes de Jong.

Douwe was een bekende verschijning in het dorp. Hij verdiende later de kost o.a. als los arbeider. Hij was ‘boereknecht’ toen hij op 13-03-1888 voor de militaire dienst gekeurd werd en kreeg vrijstelling van dienst omdat hij ‘eenige zoon’ was.

Daarnaast was hij ook melkvaarder. Met een ijzeren schouw bracht hij iedere dag de melk van o.a. boer Gabe Hofstra van Abbenwier naar de zuivelfabriek in het dorp. Hij moest dan eerst een eindje trekken en roeide vervolgens langs de Wetering, het Rak van Ongemak en de Boarn naar het dorp. De dochter van boer Hofstra, die hem goed had gekend, vertelde later dat hij in zijn jonge jaren een grote ruige rode baard had. Hij was volgens haar een ‘goeie kerel’.

Als het even kon, verdiende hij wat extra’s door zeilschepen door het Rak van Ongemak te trekken als ze last hadden van tegenwind. Er was concurrentie, soms met letterlijk slaande ruzie als gevolg, want Douwe nam het werk graag aan voor de laagste prijs. Vanaf de wal werd naar de schippers geroepen voor welk bedrag men de klus wilde klaren.

Humor had hij ook, want in 1900, tijdens een vergadering van de ijsclub, werd een uitspraak van hem geciteerd: “Alles wordt duurder, vroeger kreeg je een meid voor een zoentje en nou willen ze een dikke tút hebben.” Douwe is overigens altijd vrijgezel gebleven.

Kinderen riepen hem vaak na met de bijnaam ‘Douwe Duvel’. Gine Dijkstra schreef in de Leeuwarden Courant dat hij de ‘personificatie van onze roomse duivel’ was, omdat hij ’s zomers en ’s winters gekleed was in ‘een vuile, gerafelde broek en in een gore borstrok’. Een andere tijdgenoot beschreef hem ook: “Hij was een echt bekend dorpstype, men kende hem overal in de buurt. Hij was een goede kerel en hij wou ook wel werken, maar z’n uiterlijk deed je inderdaad aan een duivel denken. Hij zag er heel onverzorgd uit, lang haar, borstelige wenkbrauwen, grote gele tanden die steeds zichtbaar waren en hij had bovendien een krakende stem. Hij liep op grote witte puntklompen van Irnsum naar z’n werk in Akkrum.”

‘’s Zomers hielp Douwe bij het binnenhalen van het hooi. Ook hierover is een aardige anekdote bewaard gebleven. A. de Vries uit Akkrum schreef in 1983 in de Leeuwarder Courant: “Ik heb eens een voorval meegemaakt dat ik nooit meer zal vergeten. Er moest een vracht hooi mee naar huis en de baas stond op de hooiwagen om de zaak op te laden en Douwe zou met de vork de boel aangeven.
Nu is het aangeven van een vracht hooi niet ieder z’n werk, want hier is nog wel vakmanschap voor nodig. Maar de baas pochte dat hij het heel goed kon. Hij had het als jonge knaap al geleerd. Ik stond er bij en volgens mij ging het niet goed. De baas zag aan mijn gezicht dat ik aan zijn vakkundigheid twijfelde en zei dat het we goed zou komen en we het hooi straks met de pontsjer wel recht zouden trekken.
Toen de zaak geklaard was, werd alles met dikke touwen goed aangesjord. De baas en mijn persoontje zaten voorovergebogen op de wagen en Douwe was bij de achtertouwen opgeklommen en had zich boven op de lading genesteld. Op weg naar huis op de hobbelige straatweg begon de lading iets te schuiven en een passerende fietser keek bedenkelijk naar ons. Toen we dicht bij Akkrum waren gebeurde het. Een steigerend paard, een harde klap en met een smak werd de hele lading hooi inclusief Douwe van de wagen geslingerd om gedeeltelijk in de onderwal terecht te komen. Ik hoor Douwe nog kermen van angst, maar hij bleek ongedeerd; door het hooi was z’n val enigszins gebroken en hij kwam met de schrik vrij. De patroon, zelf ook hevig geschrokken, zag alle kanten uit of ook iemand in de buurt was die het debâcle had gezien. Er was niemand in de buurt en dus werd alles met extra zorg weer vliegensvlug opgeladen. Heelhuids kwamen we toen met de vracht thuis.

Op zijn oude dag was Douwe naast een trouwe supporter ook de vaste ballenvisser van de voetbalvereniging. Ook hierover bestaat een anekdote: “Douwe Duvel heeft ooit een belangrijke functie gehad bij de voetbalvereniging Irnsum, waarvoor hij met een putemmer de ballen uit de sloot moest vissen; deze arbeid gaf hem recht op gratis toegang tot het terrein.
Eenmaal werden er blijkbaar zoveel ballen het water ingeschopt, dat Douwe Duvel het vertikte langer aan de gang te blijven.Doe het zelf maar,” zei hij kort en krachtig.

Het boomlange bestuurslid Rintje Zijlstra ging de wegvluchtende dienstweigeraar toen achterna en kreeg hem te pakken bij de boerderij, waarin de familie Keulen later woonde.
Daar werd Douwe Duvel door Zijlstra naar binnen gesleurd en opgesloten bij de varkens in het hok. Vervolgens klopte Rintje Zijlstra doodgemoedereerd bij boer Brouwer aan de deur met de mededeling:Der rint bij jo bargen in bear yn ’t hok, jo meie wolris even sjen…

Zo doen er meer verhalen de ronde over Douwe Laverman. Uit ’t Kleine Krantsje:

Douwe Duvel moet een zeer ‘suterige’ figuur zijn geweest met een grote angst voor water en zeep. Hij woonde samen met een neef, ook een Laverman, die met de bijnaam Anne Knol door het leven ging.
De heer Van der Meer, die Douwe Duvel heeft gekend in de tijd dat hij zelf in Irnsum woonde, weet niet beter, dan dat hij het is geweest, die de – onbekende koetsier de stuipen op het lijf heeft gejaagd.
Douwe Duvel had, aldus onze zegsman, familie in Franeker, die hij eenmaal per jaar bezocht. De reis er heen ging dan te voet en ook de terugreis werd lopend afgelegd -een doodgewone zaak in die tijd.
Nu moet het op die wandeling naar huis terug zijn gebeurd, dat Douwe Duvel in de omgeving van de Rauwerderbocht in de striemende regen een stapvoets rijdende lijkwagen zag.
Hij klom er, zonder dat de voerman het merkte, achter op en kroop na enige tijd langs de lijkkist naar voren, waarna hij onverhoeds met zijn onwelriekende hoofd pal naast dat van dekoetsier verscheen met de vraag: “Is’t “Is ’t al droog?’

In 1909 woonde hij in de Buurt (huidige Rijksweg), kadastraal bekend Gemeente Rauwerd, Sectie C, nummer 1346 (huis en erf 44 ca). Ook bezat hij een deel (6 ca) van de steeg, kadastraal Sectie C, nummer 1431.3. Het betrof een eenkamerwoning achter Rijksweg 88, die hij samen met Anne Laverman, een oomzegger, bewoonde. Anne Laverman had ook een scheldnaam: Anne Knol.

In december 1909 was hij volgens een notariële akte werkman. Hij leende toen fl. 200,- van Johannes van Akkeren Dirkszoon, onderwijzer wonende te Sneek met zijn huisje als onderpand. In 1922 leende hij als ‘werkman’ nogmaals geld, nu fl. 600,- van Sjoerd de Jong, notarisklerk wonende te Rauwerd, met weer zijn woning als onderpand.

Toen Douwe oud was en neef Anne overleed, verhuisde hij naar het bejaardentehuis in Grou. Daar overleed hij op 30-05-1942.

Met zijn markante uiterlijk, zijn eigenaardigheden en zijn goedmoedige karakter leeft Douwe Laverman voort als een van die dorpsfiguren die nog lang in verhalen blijven bestaan.

Douwe Laverman in verhalen

Geen items gevonden. Help jij mee deze pagina compleet te maken? Geef het door via ons Contactformulier.

Douwe Laverman Beeldbank

Overige gerelateerd aan Douwe Laverman

Mis je nog informatie? Help mee deze website compleet te maken! Geef het door via ons Contactformulier.