De huidige Sylsbrêge is voorlopig de laatste van een lange reeks voorgangers. Een van eerste Sylsbrêge was een houten klapbrug die in 1671 werd gebouwd. Op 25 maart 1671 verscheen namelijk een resolutie, ‘waarbij aan de Ingezetenen van het dorp Grouw Octrooi verleend wordt tot het leggen van een Rijweg van voorschr. dorp tot aan Irnsumerzijl en aldaar over de Zijl eene valbrug te slaan, alles ten hunnen kosten, onder de bepaalde voorwaarden, met regt van tolheffing voor het onderhoud.”
Op 6 juli 1758 verscheen een nieuwe resolutie waarin goedkeuring wordt gegeven aan de overeenkomst tussen de vertegenwoordigers van de inwoners van het Grou en de eigenaren van de landen tussen Grou en Irnsumerzijl, evenals de belastingdienst van het stadsbestuur van Leeuwarden. Deze overeenkomst betreft het uitgraven, aanleggen en onderhouden van een rijweg van Irnsumerzijl naar het dorp Grouw, inclusief het aanleggen van in- en uitgangen en het bouwen van een klapbrug of draaibrug bij Irnsumerzijl.
In 1866 werden alweer nieuwe plannen gemaakt om een houten draaibrug te realiseren.

Na het verdwijnen van de Irnsumerzijl in 1884 werd het vaarwater verbreed en op de plek van de sluis kwam een ijzeren draaibrug met brugwachterswoning (nu ‘Op ‘e Syl) die op 27 oktober 1884 werd opgeleverd.

De brug en haar wachters
Na de bouw van de brug kwamen er een brugwachter. Hij was verantwoordelijk voor het dagelijks functioneren van de draaibrug en het veilige verloop van zowel water- als wegverkeer. Hij woonde in het brugwachtershuis naast de brug en was daardoor vrijwel continu beschikbaar. De eerste brugwachter was Jitte Veltman, getrouwd met Korneliske Witteveen. In de eerste jaren was Veltman ‘gaarder’ van de verschuldigde rechten, later pachtte hij het recht van inningen van de Provincie. Zijn jaarwedde was Fl. 450,-, later Fl. 500,-. Veltman vertrok in 1891 en werd toen kastelein op Oudeschouw. Zijn opvolger op de Irnsumerzijl werd Sjouke Vogelzang. Vanaf 1904 werd de brug niet meer verpacht. Toen werd Bouke de Vries aangesteld als provinciaal brugwachter. Het bruggeld (en dat was niet weinig…) ging voortaan rechtstreeks naar de provincie. Klaas Visser was de vierde brugwachter. Hij werd opgevolgd door Klaas Wiersma die de tijd tot 1951 volmaakte.
In die tijd was het beroep van brugwachter nog betrekkelijk eenvoudig. Wel kon zijn werk lichamelijk zwaar zijn; de bruggen werden met handkracht bediend en men moest er sterk voor zijn. Vooral bij een draaibrug moest veel kracht worden aangewend om de brug in beweging te krijgen. De bediening vond in de open lucht plaats en de brugwachter deed zijn werk in weer en wind. Ze waren vaak ook belast met eenvoudig onderhoud, als schoonhouden en smeren.

Kanaalgeld Irnsum, als bewijs dat het bruggeld was betaald. Werd tussen 1920 – 1925 gebruikt.

Ruim baan voor de binnenvaart!

De ‘nieuwe’ draaibrug nadat de brug in mei 1945 door de Duitsers opgeblazen werd.
De brug speelde nog een aantal jaren een rol in het verkeer, totdat de situatie opnieuw veranderde door de aanleg van het Prinses Margrietkanaal. Na de Tweede Wereldoorlog werd het stuk van Oudeschouw naar Grou gegraven. Het gehele kanaal was gereed in 1951. De binnenvaart koos nu voor de nieuwe, kortere en snellere route.

De overbodig geworden brug, die overigens al tweedehands was, kreeg weer een nieuwe bestemming: over de Broeresloot in Oppenhuizen. Deze ligt er nog steeds.

De oude Sylsbrêge in Oppenhuizen.

De vaste brug die in 1951 werd gebouwd.
In 2015 werd naast de bestaande brug een aanvang gemaakt met het bouwen van een nieuwe.


